Hoe kies je als beginner het bijensysteem dat het beste aansluit bij je persoonlijke eisen?
Wie zich als beginner waagt aan de spannende wereld van het imkeren, begint dit hobby meestal niet volledig onvoorbereid. In sommige gevallen is er vooraf al een bekende of familielid beschikbaar als imkermentor, die de juiste stappen bij het imkeren aanleert. Als alternatief genieten ook de verschillende basiscursussen, die door talrijke imkerverenigingen in heel Duitsland tegen zeer gunstige voorwaarden worden aangeboden, een steeds grotere populariteit.
In beide gevallen maakt de beginnende imker kennis met een reeds bestaand bijensysteem of worden er weliswaar verschillende systemen voorgesteld – maar vaak wordt dan het systeem aanbevolen dat binnen de betreffende vereniging het meest gangbaar is. Daarbij gaat het minder om de specifieke raammaatvoeringen, maar daadwerkelijk om het betreffende bijensysteem. En juist deze kunnen onder omstandigheden volledig verschillende manieren van imkeren vereisen.
De verschillende soorten bijenkasten bij het imkeren
In het algemeen kan men drie verschillende soorten bijenkasten onderscheiden. Deze hebben elk hun eigen voor- en nadelen en worden voor heel uiteenlopende doelen bij het imkeren gebruikt.
Magazijnkasten
Het momenteel waarschijnlijk meest voorkomende type bijenkast is de magazijnkast. Hierbij worden verschillende bakken, die de kast verdelen in honing- en broedruimte, op elkaar gestapeld.
Dit type kast is onder andere zo populair omdat:
- broed- en honingruimte naar wens kunnen worden uitgebreid of verkleind. Ook voor voer of zuurbehandeling kan probleemloos ruimte worden gecreëerd.
- dit type kast bij veel varianten zowel in hout als in kunststof wordt aangeboden.
- het door de grootte en de goede transportmogelijkheden ideaal geschikt is voor de rondtrekkende imkerij.
Maar ook al worden hier een hele reeks echte voordelen genoemd, magazijnkasten hebben ook enkele nadelen. Zo wordt er vaak over geklaagd dat men bijvoorbeeld bij de zwermcontrole telkens de honingkamer – en eventueel ook een broedbak – moet verwijderen om de zwermstemming in het volk te controleren. Over het algemeen zijn magazijnkasten relatief transportintensief, omdat men gedurende het jaar voortdurend bakken moet opzetten of afnemen. Bijvoorbeeld bij de groei van het volk in het voorjaar, bij de honingoogst, bij de mijtenbehandeling en bij het bijvoeren.
Wat eveneens vaak niet wordt vermeld, is de grote ruimtebehoefte van magazijnkasten, die nodig is om bakken, deksels, bodems en voerbakken thuis op te slaan.
Bekende magazijnkastensystemen zijn bijvoorbeeld de Segeberger kast, de Frankenkast, de Dadant kast enz. Op het principe van de magazijnkast is tegenwoordig een groot deel van de gangbare imkermaten gebaseerd, zoals bijvoorbeeld DNM, Zander, Dadant, enz.
Trogbijenkasten
Een variant waarbij de volledige bijenwoning – dus honing- en broedruimte – naast elkaar zijn aangelegd. Daardoor doen deze kasten denken aan de klassieke (varkens)trogbak, wat dit systeem zijn naam heeft gegeven. Dit systeem is tot nu toe alleen als houten variant verkrijgbaar. In feite wordt dit systeem steeds populairder, omdat:
- het voortdurend op- en afzetten van bakken wegvalt
- een eenvoudigere en comfortabelere controle en bewerking van de bijen mogelijk is
Aan de andere kant heeft dit systeem ook zijn nadelen. Het transport van trogbijenkasten is duidelijk moeilijker, waardoor trogbijenkasten vooral geschikt zijn voor stationair imkeren op vaste locaties. Ook kan dit systeem niet onbeperkt worden uitgebreid. Er zijn wel enkele aanbieders die met hun systeem de mogelijkheid bieden om nog een extra bak te plaatsen, maar bij een sterke massadracht zouden deze snel hun grenzen bereiken.
Achterbehandelingskasten
Dit systeem werd vooral in de voormalige Oostbloklanden gebruikt en daar tot in de perfectie doorontwikkeld. Het idee achter dit systeem is om een zo groot mogelijk aantal bijenvolken op een zo klein mogelijke ruimte te kunnen plaatsen. Dit systeem werd vaak gebruikt in grote bijenaanhangers (bijv. omgebouwde bouwketen e.d.) en garandeerde zo een snelle verplaatsbaarheid van grote aantallen bijenvolken. Daarbij stond naast de opbrengst bij de honingwinning vooral ook de bestuivingsprestatie van de bijen centraal.
Hoewel dit systeem inmiddels wat uit de mode is geraakt, zijn er nog steeds enkele toepassingsgebieden waarin dit systeem zijn voordelen kan benutten. Zo bijvoorbeeld:
- in blokbijenkasten
- wanneer men zijn bijen op een droge plaats wil verzorgen
- voor imkers bij wie de bestuivingsprestatie vooropstaat
Het nadeel van deze vorm van bijenhouderij is – vergelijkbaar met de trogbijenkast – het feit dat de honing- respectievelijk broedruimte niet echt kan worden uitgebreid. Ook hier wordt het systeem bij inzet tijdens een massadracht zeer snel arbeidsintensief voor de imker. Daardoor vereist het, bij een groter aantal volken, een nauwkeurige

Het Warré-systeem als bijzonderheid
Een bijzondere plaats neemt hier misschien het Warré-bijenkastsysteem in. Dit werkt weliswaar ook met bakken, maar gebruikt geen reguliere raampjes. Dat leidt ertoe dat bij de oogst volledig andere stappen nodig zijn en bijvoorbeeld ook het klassieke “raampjes inbedraden” volledig wegvalt. Bij het Warré-systeem staan echter noch de bestuiving noch de honingopbrengst centraal. Het doel is hier veel meer om zo natuurlijk mogelijk en met zo weinig mogelijk menselijke ingrepen te imkeren.
Welk systeem is het juiste voor mij?
Wie geïnteresseerd is in het imkeren, zou bij de keuze van het juiste bijensysteem eerst rekening moeten houden met de persoonlijke leefomstandigheden. Wie in een appartementsgebouw woont en slechts een kelder tot zijn beschikking heeft, zal het lastig vinden om grote hoeveelheden materiaal op te slaan. Voor mensen met rugproblemen is de magazijnimkerij waarschijnlijk ook niet per se de beste keuze. Wie zoveel mogelijk honing in verschillende soorten wil verkrijgen, kan met trogbijenkasten al snel problemen krijgen, en imkers die zo natuurlijk mogelijk en met weinig inspanning willen imkeren, zullen bij achterbehandelingskasten waarschijnlijk snel vastlopen.
Daarnaast moet men zich afvragen wat men met het nieuwe hobby wil bereiken. Is het slechts een leuke bezigheid voor erbij, of staat de honingopbrengst toch ook centraal? Hoeveel ruimte heb ik ter beschikking voor materialen zoals bijvoorbeeld bijenkasten en raampjes? Moeten de bijen in de eigen tuin worden geplaatst of zullen verschillende akkers het nieuwe thuis van de bijenvolken worden? Misschien wil men ook slechts een paar bijen in de eigen tuin houden, die met weinig moeite kunnen worden verzorgd. Al deze overwegingen moeten in ieder geval plaatsvinden vóór de keuze van het betreffende bijensysteem, zodat men op lange termijn geen teleurstelling ervaart bij de keuze van zijn kast, maar met veel plezier kan deelnemen aan de verbazingwekkende prestaties van de bijen, hun wezen en hun bijdrage aan de natuur.